Mijn relatie met eten loopt niet van een leien dakje, en soms is dat moeilijk. Ik ben zelf nog enigszins zoekende naar hoe ik die relatie verder kan verbeteren, waardoor ik me niet bepaald comfortabel voel bij het schrijven van deze nieuwsbrief. Wetende dat er buiten deze comfortzone ruimte is voor groei, en dat kwetsbaarheid tot verbinding kan leiden, besliste ik toch om de confrontatie aan te gaan. De relatie met eten en je eigen lichaam hoort niet thuis in het taboehoekje.
Zwijn
Het is 1 januari en het is de laatste dag gevuld met kerstfeestjes. De eindejaarsperiode verliep nog best goed, aangezien ik me had voorgenomen om mild te zijn voor mezelf in het geval dat ik van het rijkelijke aanbod aan warme hapjes, gevulde kalkoen en kerststronk wou genieten. Iets meer eten in deze periode is normaal, maar 1 januari was er voor mij te veel aan. Drie feestjes op één dag, het ene met nog meer lekkernijen dan het andere. Terwijl de bomma met voldoening toekijkt hoe ik al haar lekkers naar binnen speel, denk ik “Ach, het is maar één keer per jaar 1 januari”. Op het einde van deze lange dag van overeten voel ik me een zwijn. Een glimp in de spiegel is de confrontatie te veel en mijn schuldgevoel neemt nooit eerder geziene proporties aan. Ik heb geen slank, afgetraind lichaam en ‘officieel’ heb ik overgewicht, en op die ene avond is dat alles waar ik aan kan denken. De dag nadien is die innerlijke criticus wat gaan liggen en kan ik de zaken relativeren, want “het was een uitzonderlijke dag”, “dat maatschappelijk ideaalbeeld is niet realistisch”, “mijn lichaam is anders” en “BMI is een slechte maatstaf”, maar toch blijft het gevoel sluimeren.
Enkele weken later spreek ik af met Celine. Celine Vereeck van Lust is een goede vriendin en bovendien één van de referenties op het vlak van intuïtief eten in België. We praten in het kader van deze nieuwsbrief, maar eigenlijk ben ik ook even haar patiënt. Ik volg haar Instagram al lang, maar ging er nog niet echt mee aan de slag. Al snel wordt duidelijk dat mijn aanpak nog wat werk kan gebruiken. Zo heb ik voor mezelf een regel van “één ongezonde lekkernij per dag”, en dan houd ik in mijn dagboek bij of ik die overschreed of niet, want ik laat mezelf wel toe om iets te snoepen, maar het mag niet te veel worden… Celine trekt grote ogen en vraagt: “Dus je stelt enkel vast of je die ‘regel’ overtrad of niet, maar je kijkt niet waar dat vandaan komt of hoe je dat kan aanpakken?” Lap. We zijn nog maar vijf minuten aan het praten en de vinger wordt al meteen op de wonde gelegd. Ze heeft gelijk: op deze manier zal ik me op het einde van de dag gewoon elke keer slecht voelen over hoe ik die arbitraire regel gevolgd heb. Daarnaast zal ik door zo’n regel doorheen de dag enkel focussen op die lekkernij, en loopt het – volgens de wetten van de psychologie – bijna gegarandeerd mis. Probeer maar eens een minuut lang níét aan een roze olifant te denken. Je zal wellicht nog nooit zo vaak in één minuut aan een roze olifant gedacht hebben.
Vol trots vertel ik aan Celine hoe ik nooit chips, snoep, koeken of ijs in huis haal – naar de principes uit Atomic Habits – omdat ik weet dat ze er dan ongetwijfeld in een recordtijd aan zouden geloven. Vroeger waren er thuis snacks in overvloed, was de goesting voor ‘iets kleins’ groot en vond ik de weg naar de kast blindelings. Die nieuwe aanpak lijkt te werken voor mij, en zorgt ervoor dat ik een stuk fruit eet, of gewoon niets. Celine reageert echter dat ik daardoor mogelijk buitenshuis – waar die koekjes bijvoorbeeld wél aanwezig zijn – veel meer een gevoel van “nu of nooit” zou krijgen waardoor ik zou beslissen om dan veel koekjes te eten. “Als het altijd aanwezig is, dan verdwijnt die aantrekking, want het mag altijd”, verklaart Celine. Ik weet eerlijk gezegd nog niet helemaal hoe ik me daarbij voel, maar het is toch enigszins herkenbaar en zet me aan het denken. In elk geval bezorgt het aantal koekjes of chocolaatjes per dag mij geen al te grote kopzorgen, aangezien dat voor mij nooit echt problematisch wordt of uit de hand loopt. Uit mijn gesprek met Celine bleek echter wel dat ik meer moeite ervaar met één ding, en dat is overeten…
Overeten
Eten is voor mij altijd iets functioneels geweest. Iets wat je doet om te kunnen leven, sporten, functioneren,… maar een fijnproever of foodie ben ik niet. Wat niet wil zeggen dat ik eten niet leuk vind, of niet kan genieten van een lekkere maaltijd. Zeker sinds ik mindfulness meer ter harte neem, probeer ik – voornamelijk tijdens bijzondere maaltijden – iets bewuster te proeven, maar dat bewustzijn overleeft het niet altijd in de drukte van een gewone weekdag. Aangezien ik ook geregeld sport, verantwoord ik aan mezelf nog meer dat ik veel mag en kan eten. Ik ben ook deel van wat Celine de ‘legebordenclub’ noemt. “Wat je neemt, eet je op.”, “Zo word je later groot en sterk.” en “Denk aan de arme kindjes in Afrika.” klonk het vroeger vaak genoeg. Die ideeën zitten zo waanzinnig ingebakken dat ik het onwaarschijnlijk moeilijk vind om iets te laten liggen, zelfs nu nog, terwijl ik écht genoeg gegeten heb en weet dat het laatste beetje opeten gewoon overdaad is. “Anders gaat het in de vuilbak” is nog zo’n uitspraak waar Celine een hekel aan heeft: “Dat is eerst en vooral totaal niet correct, want een restje in de koelkast bewaren is altijd een optie. En is jouw lichaam gebruiken als vuilbak dan een beter alternatief? Helemaal niet.” Daar komt nog eens bij dat ik meestal met honger aan tafel ga en bijgevolg ook vaak bijzonder snel eet. Aangezien het, volgens de onderzoeken die Celine citeert, zo’n 20 minuten duurt tot je voeding je een gevoel van verzadiging geeft, is het risico groot dat je je overeet als je je maaltijd vliegensvlug naar binnen schrokt. Bovendien gebruik ik mijn etenstijd om even een YouTube-filmpje op te zetten, dat me afleidt van wat ik eet waardoor ik moeilijker kan aanvoelen hoeveel honger ik werkelijk nog heb. Als dáár nog eens bovenop komt dat het maatschappelijk zelfs genormaliseerd is dat mannen veel eten, en “Weet ge nog toen ge 25 kroketten hebt gegeten? Of die anderhalve kilo lasagne? Ja, gij kunt nogal eten, hè!”, alsof het allemaal één grote wedstrijd is. Als ik dit allemaal oplijst, verbaast het mij niets dat ik me regelmatig overeet.
Het draait volgens Celine veel meer om jouw gevoel, en om goed luisteren naar je lichaam – om aan te voelen wanneer je honger hebt en wanneer je genoeg gegeten hebt. In Ikigai wordt dat de 80%-regel genoemd: eten tot je 80% vol zit. Celine houdt er niet van daar cijfers op te plakken en werkt liever met een hongerschaal, en erkent dat je lichaam zal aangeven wanneer je voldoende gegeten hebt, en het dus gewoon een kwestie is van luisteren. Voor mij concreet, als snelle eter die de gewoonte heeft om grote porties op te scheppen, is het belangrijk om check-in momenten in te bouwen door bijvoorbeeld kleinere porties op te scheppen. Zo kan ik doorheen de maaltijd mijn hongerniveau inschatten en een nieuwe portie opscheppen naargelang de nood. Als ik dan nog iets trager kan eten, door bijvoorbeeld met een kleinere lepel of met mijn andere hand te eten, dan zou dat ook moeten helpen om de signalen van mijn lichaam sneller aan te voelen. Het principe van naar je lichaam te luisteren doorheen de dag en tijdens het eten, en aan te voelen hoeveel je nog nodig hebt, lijkt zo’n vanzelfsprekend concept, maar toch voelt het heel nieuw aan voor mij.
Balans
Telkens als ik me overeet, is er nadien zo’n ontzettend schuldgevoel. Een schuldgevoel dat niet bepaald bevorderlijk is. Schuld is doorgaans een emotie die ons aan zou moeten zetten tot moreel gedrag, maar in dit geval doen we moreel eigenlijk niets verkeerds. Je bent echt niet schuldig als je een dame blanche eet, meer dan één koekje uit de kast haalt of een extra portie stoofvlees opschept. Het is onze innerlijke rechter die oordeelt. Een innerlijke rechter die wordt beïnvloed door onze opvoeding, de maatschappelijke ideaalbeelden, advertenties op sociale media, een zelfontwikkelingsboek dat stelt dat je steeds naar de beste versie van jezelf moet streven, enzovoort. Daarin de balans blijven vinden, vind ik een grote uitdaging. Aan de ene kant is er die harde, ambitieuze kant, die je aanspoort om beter te worden, je eigen gedrag in twijfel te trekken, doelen te stellen en te durven werken aan jezelf. Dat betekent ook respect hebben voor jezelf als persoon. Voor jezelf opkomen door iets te eten wat goed voor je is, en niet steeds een McDonald’s binnen te wandelen omdat dat ‘gemakkelijk en snel is’. Anderzijds heb je de mildheid en zachtheid die je voor jezelf aan de dag kan leggen (lees er meer over in Born to be mild), om te begrijpen waar je eetgedrag vandaan komt. Om niet te hard tegen je eetgewoonten te vechten, maar ermee te leren omgaan. Een mildheid die nodig is om jezelf ook te accepteren voor wie je bent en hoe je eruit ziet. Een mildheid die er soms voor zorgt dat je een doel laat voor wat het is, en je doet beseffen dat niet alles sneller, beter, harder, gespierder of slanker moet… Dat koord bewandelen we voortdurend, en de balans ligt voor iedereen ergens anders. Neig je te hard de ene kant op, dan vergeet je misschien even op de pauzeknop te drukken, is niets ooit goed genoeg en heb je mogelijk moeite om voor jezelf te zorgen. Neig je te hard de andere kant op, dan ontbreekt het je op bepaalde vlakken mogelijk aan liefde en respect voor jezelf, en zullen je keuzes snel een impact hebben op jouw mentale en fysieke gezondheid.
Nu is er iets wat dit onderwerp in mijn ogen extra complex en delicaat maakt, en dat is het stigma rond ‘overgewicht’ en dik zijn. ‘Dik’ is in essentie – net als groot, klein, lang of kort – een neutraal bijvoeglijk naamwoord om iets of iemand te beschrijven. In onze maatschappij wordt het woord ‘dik’ meteen geassocieerd met lui zijn, onaantrekkelijk zijn, ongezond leven, niet voor jezelf zorgen… Ben je gewicht verloren, dan krijg je een compliment, ook al kan dat komen door bijvoorbeeld stress, ziekte of een eetstoornis. Ik denk dat het belangrijk om is te beseffen dat je gewicht niet enkel bepaald wordt door wat je eet, maar ook door je mate van beweging, je stressniveau, je metabolisme en genetica, je lichaamsbouw, bepaalde ziekten of aandoeningen, en zo veel meer. “Wat een ‘gezond’ gewicht is, is voor iedereen helemaal anders en kan voor een individu ook voortdurend fluctueren”, benadrukt Celine. “Jouw lichaam gaat in gegeven omstandigheden steeds een balans zoeken. Als jij maandenlang een streng dieet volgt waar je ongelukkig van wordt, maar wel 10 kilo afvalt, ben je dan gezonder dan voordien?” Bijgevolg is Celine ook geen fan van het algemeen doktersadvies om ‘gewoon’ gewicht te verliezen. “Het is simpelweg te makkelijk om zoiets te zeggen. Iedereen verdient goed, onderbouwd en ondersteunend advies, onafhankelijk van hun maat of gewicht. Je algemene levensstijl heeft veel meer impact op je gezondheid dan dat cijfertje op je weegschaal.” Het is duizendmaal makkelijker om dikke mensen gewoon te bestempelen als ongezond en er verder niet over na te denken, maar de realiteit is anders. Ieders lichaam is anders en ieders relatie met eten is anders. Het is hoog tijd dat dit onderwerp uit het taboehoekje gehaald wordt, zeker voor mannen. Ondanks dat het ‘buikske’ voor mannen misschien meer maatschappelijk aanvaard is, zijn er veel mannen die een dagelijkse strijd voeren met hun eetgedrag en hun uiterlijk. Voed die relatie en wees niet te streng voor jezelf.
Bon appetit!
Aan tafel! Vandaag schaft de pot… Een ongezonde portie maatschappelijke ideaalbeelden en stigma’s rond overgewicht, op een bedje van een opvoeding met een wrange nasmaak. Gekruid met ambitie en discipline, overgoten met een saus van mildheid. En dat bord moet leeg! Ik ben voldaan, en dat zonder schuldgevoel ditmaal. We schuiven allemaal aan, maar ieder bord proeft anders, en dat is oké. Laat het smaken. Eeuwige dank aan Celine voor de wijze raad en fascinerende inzichten. Now, go read something, ciao!
Maxim

NIET-BOEKENTIPS
• Instagram @lust.celinevereeck: Volg Celine op Instagram om meer te weten te komen over intuïtief eten.
• Artikel over “de kindjes in Afrika“: Joachim Pohlmann schreef in 2015 over ‘De arme kindjes in Afrika, een abstract gegeven dat mij spruitjes moest doen eten’
